20 februari 2018

Column John Ramaekers

Hoi. Alles goed? Ja, of jazeker. En jij? Prima.
Wat wil je drinken….

Wanneer iemand, of mensen uit je omgeving weten dat je kanker hebt klinkt het anders.

“Hoi, hoe gaat het met je?”
“Goed.”
“Oh gelukkig. Gaat het dan beter met je gezondheid sinds de vorige keer dat ik je zag?”

Dan ga ik over mijn nek, want de valkuil is weer open en ik ga, zonder dat ik het wil, toch weer nuances vertellen. Fuck. Dus ik kom weer in de belangstelling. Of wacht even, de kanker, de gezondheid, of ik?

Ik ben niet mijn kanker. Daar heb je het al: “mijn” kanker. Het is niet “mijn” kanker. Ik heb kanker. Mensen die door de ziekte getroffen zijn, hebben kanker. Mensen die snotterend en hoestend in bed liggen, hebben “de” griep. Niet mijn griep. Waarom klinkt het dan zo raar als je zegt: ik ben niet “de” kanker. Wat zit taal toch raar in elkaar.

Het gebruik van een lidwoord of een bezittelijk voornaamwoord. Met een wereld van verschil.

En dan komt de derde erbij, vangt een flard op van het gesprek en zegt na verloop van (korte tijd):  zullen we het over iets anders hebben, want bij jou gaat het vooral over “je gezondheid” en dat vind ik niet prettig. Ik denk dan altijd aan de dood. Poing! Dood? Ik ben er niet over begonnen en ik heb het er niet over gehad.

Ben ik nou boos op die mensen? Nee. Ze beseffen het vaak gewoon niet.
Ze zouden ook kunnen vragen:
“Hoi, hoe ist?”
“Goed. En jij?”
“Ook goed. Heb je die race van Sven Kramer nog gezien? En van die Esmee Visser?

Maar ja, wie komt er nu op dat gekke idee?